december 2010

Intervieuw Jan Ykema (Stichting Coke van jou)

cokevanjouJan Ykema (47) heeft een prachtige schaatscarrière, wint vele prijzen en in ’88 een zilveren Olympische medaille op de 500 meter in Calgary. Na zijn sportcarrière begint Jan een succesvol makelaarsbedrijf. Alles lijkt Jan voor de wind te gaan, maar Jan heeft een groot probleem, hij is in ’89 verslaafd geraakt aan cocaïne en speed. Jesper heeft de eerste 10 jaar van zijn leven alleen een verslaafde vader gekend. In ’97 leren Jan en Geertje elkaar kennen en worden uiteindelijk verliefd. In 2000 gaan ze samenwonen. Het eerste jaar is alles geweldig met Jan. Geertje weet niet dat hij verslaafd is. Maar als de financiële problemen groter worden en er is niet altijd drugs voor handen gaat het een stuk slechter met Jan. In 2002 begint de lange weg van stoppen, terugvallen en weer stoppen.

In Pingjum (Friesland) heb ik aan de keukentafel een openhartig gesprek met Jan, Jesper en Geertje.

Jan: “De aandacht die ik kreeg door de sport en die wegviel door het verwisselen van het schaatspak in een maatpak heb ik niet kunnen verwerken. Cocaïne en speed konden dat leed wat verzachten. Bovendien heb ik een egoïstische hang naar ‘kick & thrill’. Ik was in de sport belangrijk en ik wilde belangrijk blijven. Door de coke en de speed kon ik uren doorgaan, studeren en werken, schreef ik de mooiste taxatie rapporten, was ik vrolijk en werd ik zonder te sporten niet dik. Het gebruiken had grote voordelen. Bovendien was het mijn geheim, niemand wist ervan. En ik geloofde dat ik het allemaal wel onder controle zou houden. Ik heb immers een zilveren medaille gewonnen dus dan kan ik de verslaving ook overwinnen. Zo dacht ik. Ik weet nu dat je er totaal gek van wordt in je kop en dat je van alles verzint om maar niet te hoeven toegeven dat je verslaafd bent. Al snel had ik steeds meer drugs nodig om in die bepaalde roes te komen. Dan gaat het snel. Ik raakte alles wat ik lief had kwijt. Ik verliet mijn ex-vrouw en zag mijn zoon daardoor veel minder, mijn makelaarskantoor ging failliet, ik raakte in de schulden en ik kon geen verantwoordelijke vader zijn. Het dieptepunt was toen ik geen cent meer had en dakloos was. Ik sliep in mijn auto.”

Jan is vijftien jaar zwaar verslaafd geweest zonder dat iemand het door had. Zijn ex-vrouw, de moeder van Jesper, heeft het nooit geweten. Jan’s zus Annemarie die hem in eerste instantie opvangt als hij zijn huis kwijtraakt moet het haast wel gezien hebben maar dacht dat hij een gelegenheidsgebruiker was. Zijn huidige vriendin Geertje vond wel dat Jan ongelooflijk vaak ziek was maar aan drugsgebruik had ze niet gedacht.

Geertje: “Toen ik Jan leerde kennen, net na zijn Olympische medaille, vond ik hem helemaal niet zo leuk. Een typische niet-Fries. Hij vond zichzelf heel wat en daar houd ik niet van. Pas in 1997 leerde ik Jan echt goed kennen. Hij legde voor mij een vloer en we raakten aan de praat. Hij bleek veel meer diepgang te hebben dan ik had gedacht. Wij werden vrienden en later verliefd. Toen we een relatie kregen bleek hij een lot uit de loterij. Hij was altijd vrolijk, zong de hele dag door. Deed alles voor me en was nooit moe. Hij was een charmeur, een prins. Ik wist niet dat ik een relatie had met een verslaafde die alles aan elkaar loog. Natuurlijk hoorde ik weleens wat, of vond ik een zakje speed. Dan vroeg ik hoe dat zat. Jan kon dat altijd goed verklaren. Hij zei me dat hij bij speciale gelegenheden weleens wat gebruikte. Dat geloofde ik. En dat wilde ik ook geloven. Bovendien was er aan Jan niet veel te merken. Toen wij een relatie kregen was Jan al zo lang verslaafd dat het zijn leven was.”

Jan: “Ik was alleen maar bezig met de verslaving en met mezelf. Ik voelde mezelf enerzijds dé man en anderzijds een steeds grotere nietsnut. Een waardeloze vader en geliefde. Voor mijn omgeving was ik onvoorspelbaar en onbetrouwbaar. Ik loog alles bij elkaar omdat niemand achter mijn verslaving mocht komen . De ene keer was ik de vrolijke Frits, de andere keer was ik een chagrijnige depressieve vent die zijn drugs nodig heeft. Jesper zegt vooral dat hij er niet zo heel veel last van heeft gehad, maar ik weet wel beter. Ik schoot enorm tekort wat ik afkocht door bijvoorbeeld materiële dingen voor hem te kopen. Ik werkte op een gegeven moment in een pretpark, dat is voor een kind natuurlijk helemaal fantastisch. Maar mijn verslaving had voorrang op alles. Het kwam wel voor dat ik Jesper rustig liet wachten in de auto terwijl ik bij de dealer langsging. Het schuldgevoel is heel groot hoewel je dat pas voelt al je afgekickt bent. Ik was tijdens mijn verslaving vooral bang dat Jesper mijn geheim zou ontdekken. Uiteindelijk wordt je gedrag natuurlijk herkend. Jesper werd ook mondiger naarmate hij ouder werd. Ik voelde wel aan dat ik dit niet kon blijven volhouden. Maar ik kon niet stoppen met gebruiken. Om aan geld te komen zocht ik bij de vuilnis naar spullen die ik door kon verkopen. En ik zocht naar oud ijzer, staal. Dat leverde best wat op. Dan zei ik tegen Geertje dat ik voor 100 euro spullen had doorverkocht maar in werkelijkheid was dat 400 euro. Zo kon ik mijn verslaving blijven financieren. Als er echt geen geld was moest ik ‘verplicht’ afkicken.”

Geertje: “Het eerste jaar dat ik samenwoonde met Jan was ik heel gelukkig. Pas na een jaar zag ik hem steeds verder afglijden en begon ik me af te vragen wat er nou aan de hand was. Met Jan wist je nooit hoe het zou zijn. De ene keer was het een geweldige vent en een lieve vader voor Jesper, de andere keer veranderde hij in een verschrikking. Dan was hij boos en agressief. Lag hele dagen in bed. Zei hij weer dat hij ziek was. In werkelijkheid waren dit de momenten dat er geen cent was en hij dus niet kon gebruiken. Ik ging onbewust bewijzen verzamelen om mijn gevoel te verklaren dat er iets niet klopte. Ik hield op een kalender bij hoe vaak Jan eigenlijk ziek was; heel vaak. Uiteindelijk kwam Jan in 2002 met het verhaal. In eerste instantie schrok ik. Ik had het niet verwacht. Daarna komen andere gevoelens. Ik dacht dat ik hem met mijn liefde wel kon genezen.”

Jan: “Het was niet meer vol te houden, de verslaving. Ik vertelde het mijn zus, mijn ex en Geertje. Ik zocht hulp bij de GGZ en ik deed meerdere serieuze pogingen om af te kicken. Het lukte me niet altijd clean te blijven en voor mijn omgeving en mezelf was dit de moeilijkste tijd.”

Geertje: “Alles draaide in dit huis om Jan. Hadden ze Jan maar uit huis gehaald, in een afkickkliniek gestopt. Maar wij deden het allemaal alleen. We hadden relatietherapie, maar wat helpt dat? Daar zei de therapeut tegen Jan dat hij minder agressief moest zijn tegen mij. Maar hij praatte niet tegen een volwassen man, maar tegen een verslaafde. Die kan dat dus niet beloven. Ik weet nu dat je een verslaafde niet kunt helpen als de verslaafde dat zelf niet wil en kan. Eigen inzicht en het positieve perspectief van een (ex) verslaafde zijn van groot belang om van de drugs af te kunnen blijven. Het clean worden ging moeizaam. Dat liefde de zucht naar drugs kan afnemen bleek niet waar. De relatietherapie en de gesprekken die Jan had bij de GGZ hielpen onvoldoende. Ik heb weleens overwogen zelf in therapie te gaan, maar op een bepaalde manier schaam je je ook. Dat gevoel; ‘waarom moet mij dit nu weer overkomen. Heb ik een geweldige vent gevonden blijkt hij een verslaafde te zijn’. In de relatietherapie was ik altijd de sterke vrouw. Ik huilde niet, zag er sterk en perfect uit. De vrouw die zijn man gaat helpen afkicken en die dat allemaal makkelijk aankan. Ik werd de boom waar Jan tegenaan leunde, terwijl ik het eigenlijk zelf niet meer aan kon. Alleen wilde ik dat niet toegeven. Nu Jan helemaal clean is kan ik zeggen dat ik trots ben dat we dit samen tot een goed einde hebben weten te brengen, maar het was wel zwaar.”

Jesper heeft Jan de eerste tien jaar van zijn leven alleen verslaafd gezien. Voor Jesper was Jan toch een goede vader. Dat kwam mede doordat Jan er altijd voor heeft gezorgd dat er een vrouw in de buurt was die voor Jesper zou zorgen als hij het zelf niet meer zou kunnen opbrengen.

Jesper: “Ik had gewoon een hele leuke vader. Hij werkte in een pretpark en ik mocht daar dus altijd gratis overal in, zonder wachtrij! Dat wilde iedereen wel. En hij was altijd vrolijk. Tenminste toen hij nog verslaafd was. Toen hij stopte was er vaak ruzie, maar dan ging ik gewoon weg. Ik heb het er eigenlijk nooit met iemand over gehad. Ook niet toen het allemaal uit kwam. Ik weet nog wel dat het ineens op de voorpagina stond van de krant. Een foto van mijn vader. Dat vond ik niet leuk. Maar ik ben er nooit voor gepest op school ofzo. Ook na de uitzending met Hugo Borst is het er eigenlijk niet over gegaan. We hebben het bij biologie wel gehad over drugs en wat het doet, maar niet over mijn vader. Ik maakte me soms wel zorgen om hem. Dat hem wat zou overkomen, of dat hij dood zou gaan. En ik schaamde me als mijn vader bij het grofvuil naar spullen aan het zoeken was. Ik wilde dan echt niet bij hem horen. Of als hij geld ging lenen bij mensen. En als hij boos was, dat vond ik natuurlijk ook niet leuk. Maar hij was eigenlijk nooit echt boos op mij.”

Geertje: “Het is uit loyaliteit naar zijn vader dat Jesper zegt dat hij er eigenlijk niets van heeft gemerkt. Want hoe goed we Jesper ook overal buiten wilde houden, hij heeft er zeker wel wat van meegekregen. Als Jesper bij ons was probeerden we het gezellig te maken. Ik probeerde minder op Jan te reageren. Want de fase dat ik alles wilde oplossen door liefde te geven was ik al voorbij. Ik confronteerde Jan, ging tegen hem in. Dat betekende dus felle ruzies. Uiteindelijk werd ik heel erg ziek. Volgens de artsen had ik de ziekte van ‘Graves’. Een te snel werkende schildklier. Maar ik weet dat ik ziek ben geworden door de situatie met Jan. Constant die stress, die ruzies, die agressie van hem, de beloftes. Ik was alleen nog maar met hem bezig. Ik durfde hier niemand in huis uit te nodigen. Ik was bang dat mijn kinderen erachter zouden komen. Ik was gewoon totaal uitgeput. Jan had opgenomen moeten worden. Dan had ik hier rust gehad. Dat was beter geweest.”

Jan: “Ik heb nog wel een tijdje een huis ergens anders gehad. Ik zag wel dat het voor mijn omgeving heel zwaar was. Geertje ging er bijna aan onder door. Het is ook niet gemakkelijk om samen te leven met iemand die depressief is. En ik was zwaar depressief. Als je niet meer gebruikt is dat niet het einde van de problemen. Dan begint het eigenlijk pas. Nu ging ik daadwerkelijk voelen wat ik iedereen en mezelf had aangedaan.”

Jesper: “Mijn vader lag ineens tot 12 uur in bed. Normaal stond hij altijd vroeg op, nu ook weer trouwens. Toen mijn moeder en Geertje het me vertelde van mijn vader, toen viel wel het kwartje. Het viel me wel op dat hij anders was dan andere vaders, maar ik wist niet waarom, of hoe dat kwam. Mijn vader praat er veel over, dus nu weet ik er wel wat van. Ik weet nu dat je van coke en speed anders wordt in je hoofd. En dat je met alles langer kunt doorgaan. Maar drugs is niet goed voor je lichaam en het is voor de mensen om je heen niet goed. Mijn vader heeft door de drugs wel fouten gemaakt maar ik was heel klein dus ik weet er niet meer veel van. Het afkicken was het ergste. Ik ben nu wel heel trots op hem dat hij er af is. Als hij had geweten dat hij verslaafd zou worden aan die middelen had hij het denk ik niet gedaan.”

Jan: “De periode dat ik wel wilde stoppen maar het nog niet kon was het zwaarst. In juli 2004 lukt het me om er echt van af te blijven. Wat me heeft geholpen was een reis met de ‘Stad Amsterdam’ de oceaan over naar het Caribisch gebied samen met de zoon van Geertje en nog wat andere mensen. Het was het eerste moment dat ik me gelukkig voelde zonder drugs. Na de reis ben ik lezingen gaan geven op scholen over drugsgebruik, ik ben de sprekers opleiding gaan doen en in 2008 ben ik weer teruggekomen bij mijn oude liefde schaatsen. Ik werd gevraagd als assistent trainer bij de ‘APPM’. Ik houd mijn kop fris door te sporten en door gezond te eten. Daar ben ik veel mee bezig. Ik wil niet zeggen dat ik helemaal vegetarisch eet, maar wel bijna. En ik heb ontzettend veel gehad aan de NLP trainingen van Rini Stoutjesdijk.”

Geertje: “Nu herken ik een verslaafde meteen. En ik weet nu ook dat een verslaafde alleen zichzelf kan helpen, als hij hulp van buiten accepteert. Met mij gaat het nu goed. Al merk ik wel dat ik minder goed tegen heftige stress situaties kan. Ik heb geleerd dat je ondanks dat je heel veel van iemand houdt, je jezelf toch op één moet zetten. Ik zou een terugval van Jan dan ook niet accepteren. Ik en mijn drie kinderen zijn belangrijker. Tussen Jan en mij gaat het erg goed. Ik was weleens bang dat hij na het afkicken nooit meer die mooie vent zou worden als hoe ik hem heb leren kennen. Maar dat is gelukkig niet het geval. Hier thuis draait het niet meer allemaal om Jan. Het is hier een stuk gezelliger.”

Jesper: “Hij is liever voor Geertje en voor mij. En hij is veel actiever. En hij helpt meer bij het huishouden. We gaan nu weer met z’n tweeën op vakantie. Naar een festival in ‘Doel’. We bezoeken elk jaar samen een festival.”

Lees ook het boek over Jan Ykema: “Jan Ykema; Pikstart, verslaving en comeback van een hypersprinter”, door Menno Haanstra.