oktober 2009

Als je moeder verslaafd is aan alcohol (VIVA)

Alcoholist “Ze weten nog niet wat ik heb”, zei Marjoleins moeder tijdens haar tweede ziekenhuisopname. Marjolein wist het wél: haar moeder was zwaar aan de drank. “Ik had haar het liefste zelf een zetje gegeven naar de dood.” En toch kwam het nog goed. “Waarom ben je niet dood?” Dat was het enige wat ik kon denken toen ik wéér aan mijn moeders ziekenhuisbed stond.Ze woog nog maar 40 kilo. Ze had geelzucht, levercirrose en ze was zwaar ondervoed. Voor mij was het overduidelijk: mijn moeder had zich opnieuw bijna dood gedronken. En toch ontkende ze dat helemaal. Zonder blikken of blozen zei ze: “Ze weten nog niet wat ik heb.” Toen ik dat hoorde, ben ik weggelopen. Ik had haar het liefste zelf een zetje gegeven naar de dood, maar ik had mijn beslissing genomen. Voor mij wás ze dood.”

Dat ik dat over mijn eigen moeder dacht, is het resultaat van jaren liegen en bedriegen. Mijn moeder loog al vanaf mijn jeugd over hoeveel alcohol ze dronk. Tot ik een jaar of zeven was, was er geen vuiltje aan de lucht. Wij waren het ideale gezinnetje: veel vriendjes, waarmee mijn twee zusjes en ik overal buiten konden spelen, een gemoedelijk dorps leven. Na schooltijd zat onze moeder op ons te wachten met een kopje thee. Alles was perfect. Omdat mijn moeder in het onderwijs werkte, kon ze veel bij ons thuis zijn. Mijn vader werkte op kantoor en was veel weg. Zo’n man die op zondag het vlees snijdt. Hij was lief voor ons, maar ook afstandelijk.

Toen kwam Karel. Mijn moeder had hem via haar werk leren kennen en hij kwam regelmatig bij ons over de vloer. Ik voelde dat er meer aan de hand was. Mijn moeder was verliefd.

Hoe ze het ons kon aandoen weet ik niet, maar ze wilde met hem verder en ze verliet ons gezin. Mijn moeder trok bij hem in en nam alleen mijn oudste zus mee, want bij Karel was geen plaats voor alle ons alle drie. Mijn vader vroeg de scheiding aan en verhuisde met mij en mijn jongste zus naar een flatje in de stad.

Ik was in één klap alles kwijt: mijn moeder, mijn oudste zus, mijn school en mijn vriendjes. Bij mijn vader had ik het niet naar mijn zin. De weekenden bij mijn moeder en Karel vond ik wel leuk. Al sprak mijn moeder wel vaak met dubbele tong en was ze zonder reden erg emotioneel. Als ik daar wat van zei, wuifde ze dat weg: “In het weekend drinkt iedereen een borrel.”

Dat was leugen nummer één. Want ik kwam er al snel achter dat ze ook doordeweeks stevig aan de borrel zat. Op mijn dertiende verhuisden mijn jongere zusje en ik terug naar mijn moeder. Die was inmiddels weer alleen. Toen pas zag ik hoeveel mijn moeder veranderd was. Ze viel ’s avonds vaak in slaap op de bank. Als we uit gingen, bleef ze altijd als langste hangen. Dan reed ze ook gewoon met ons op de achterbank naar huis. Als ik daar iets van zei, ontkende ze dat ze te dronken was om te rijden.

Dat vind ik het ergste van alles. Ik werd constant voor de gek gehouden. Ze gaf nooit toe dat ze had gedronken, terwijl ik het kon zien, kon ruiken en kon horen. Langzamerhand werd ik steeds bezorgder. Ze kon haar drie kinderen niet aan. Daar kon ik weinig aan doen, want ik was zelf nog maar een kind. Constant was ik op mijn hoede omdat ik geen idee had hoe mijn moeder zich die dag zou gedragen. Soms goot ik een fles jenever leeg in de gootsteen, soms vroeg ik haar te stoppen met drinken en soms werd ik zelfs boos. Dat hielp helemaal niks. Ik schaamde me dood voor haar.

Hoe ouder ik werd, hoe meer verantwoordelijkheid ik voelde om het contact tussen ons goed houden, wat er ook zou gebeuren. Maar op mijn zeventiende hield ik het niet meer uit. Ik kreeg een huisje voor mezelf en ben mijn moeder ontvlucht.

Met die jongen ging het uit en ik ontmoette op mijn negentiende Anton. Met hem kreeg ik twee kinderen. Omdat ik mijn moeder wilde laten zien dat er meer is in het leven dan drank, liet ik haar één keer in de week oppassen op mijn kinderen. Dat had maar weinig effect. Sterker nog, ze verloor haar baan, ik vermoed door haar drankgebruik. Ineens kon ze ook overdag drinken, en dat deed ze dan ook. Of mijn moeder ook dronk als ze op mijn kinderen moest passen, weet ik haast wel zeker. Maar mijn moeder ontkende dat, zoals altijd.

Haar lichaam kon zoveel drank per dag niet aan en dus belandde ze in het ziekenhuis. Dat was een voorbode voor een nog ernstiger situatie. Dat maakte me boos. Ik voelde me machteloos en schuldig. Had ik het kunnen voorkomen? Wat kon ik nu voor haar doen? Maar ook: waarom kon zij er wéér niet voor me zijn? Terwijl ik haar op dat moment zo hard nodig had: mijn huwelijk liep op de klippen, ik zorgde voor mijn kinderen, ik werkte en ik zat middenin een verhuizing.

Na die week ziekenhuisopname ging mijn moeder vrolijk door met drinken. Van mij mocht ze niet meer oppassen op mijn kinderen, ik vertrouwde haar niet. Zelfs dat zorgde er niet voor dat ze de drank opgaf.

Na een jaar had ik mijn leven weer redelijk op orde. Gesetteld met mijn kinderen in een nieuw huisje, ging de telefoon. Het ziekenhuis. Wéér. Er brak iets in me. Ik voelde me verraden door mijn moeder. Was ze maar dood, dacht ik. Dat zou alles veel makkelijker maken. Toen ik weer aan haar ziekenhuisbed stond, kon ik haar niet in de ogen kijken. Na vijf minuten stond ik weer buiten. In de twee jaar die volgden, heb ik alle contact met haar vermeden. Zij bleef kaartjes en brieven sturen. Ik geloofde echt dat het nooit meer goed zou komen. Tot er een brief kwam waarin ze schreef dat ze de beslissing had genomen niet meer te drinken. Dat ze weer een moeder en een oma wilde zijn. Vanaf dat moment zijn we heel langzaam aan de ‘terugreis’ begonnen. Ik ging om de week een half uurtje bij haar op bezoek. Soms nam ik de kinderen mee. We belden af en toe. Het contact ging heel moeizaam. Ik voelde me nog steeds zo ontzettend door haar in de steek gelaten.

“Een vriendin vertelde me over een ‘helende reis’. Tijdens zo’n reis benoem je met behulp van een coach al je gedachten. Uiteindelijk vergeef je de persoon waar je zo boos op bent. Ik vond het maar bizar klinken, maar besloot het toch te proberen. Na  die reis is het me pas gelukt de negatieve gevoelens over mijn moeder los te laten. Dat betekende dat ik het weer aandurfde haar opnieuw toe te laten tot mijn leven. Makkelijk was dat niet, want het hele proces naar vriendschap en vertrouwen heeft zeker drie jaar geduurd. Tot voor kort rook ik bij haar thuis in de glazen en controleerde ik de koelkast. Ik blijf bang dat ze terugvalt. Maar nu zég ik tenminste tegen haar dat ik er nog niet op vertrouw dat ze nuchter blijft. Dat ik me soms ongemakkelijk voel in haar gezelschap of me schaam voor haar.

Omdat ik eerlijk ben, en zij nuchter, is onze band hechter dan hij ooit geweest is. Ik kan haar nu altijd bellen. Als ze de telefoon opneemt, is er ook echt iemand aan de andere kant van de lijn. Geen zatte moeder vol dronkemanstaal waar ik niks van begrijp. Nu helpt ze me als ik haar nodig heb. Ze steunt me bij liefdesverdriet of problemen op mijn werk.

Sinds een paar maanden heeft ze haar vaste oppasmiddag weer terug. Ik ben ontzettend gelukkig dat ik mijn moeder weer bij me heb, al moet het vertrouwen nog wel groeien. Wij lachen veel samen, gaan samen uit eten en pakken een terrasje. Het is nu zoals het moet zijn: ik ben het kind en zij is de moeder.”

“Pas toen mijn dochter zei dat ik beter dood kon zijn, wilde ik stoppen”

Haar alcoholverslaving kostte José het contact met haar drie dochters. Met Marjolein wist ze het contact te herstellen toen ze eenmaal van de drank af was. “Daar ben ik erg dankbaar voor.”

José (65): “Het heeft lang geduurd voor ik doorhad wat ik mijn kinderen en mezelf heb aangedaan. Ik had mezelf bijna dood gedronken, zeiden de artsen toen ik voor de eerste keer in het ziekenhuis belandde. Maar ik wilde het niet zien. Ik dacht steeds: ‘Het valt wel mee’. Ik kon de waarheid niet aan.

Hoe heeft het zover kunnen komen? Dat komt ook, denk ik, omdat ik een verschrikkelijke jeugd heb gehad. Mijn moeder kon niet van mij houden. Mijn vader heb ik nooit gekend. Hij is net voor mijn geboorte doodgeschoten in de oorlog. Hij was dominee, ik ben streng gereformeerd opgevoed. Mijn moeder hield zich aan de geboden en verboden van de zwartekousenkerk. Mijn oudere zus en ik mochten niets.

Op mijn negentiende vluchtte ik het huis uit en ik kwam voor het eerst in een café. Daar dronk ik mijn eerste biertje. Ik leerde er mijn ex-man kennen. Met hem kreeg ik drie dochters. We hadden het twaalf jaar lang goed samen. In die tijd dronk ik ook wel eens, maar niet excessief. Pas toen ik verliefd werd op Karel, en ik ging scheiden, dronk ik geleidelijk meer. In het weekend gingen we uit en al snel hoorde ik bij de grote drinkers. Ik zag er geen zonde in. Iedereen dronk daar, en ik kon er goed tegen. Op mijn werk kreeg ik toen al opmerkingen dat ik naar drank rook, maar dan verzon ik een smoes. Toen mijn contract niet verlengd werd, begon ik ook overdag te drinken. Overdag whisky-tonic en ’s avonds jenever.

Door de drank waren mijn kinderen boos op me en zag ik mijn kleinkinderen niet meer. Pas toen mijn dochter tegen me zei dat ik beter dood kon zijn, wilde ik stoppen. Dat is uiteindelijk gelukt. Ik heb pas contact gezocht met mijn dochters toen ik zelf geloofde dat ik niet meer terug zou vallen. Bij Marjolein is dat gelukt. Heel langzaam is haar vertrouwen in mij gegroeid. Dat zal ik nooit meer beschamen. Dag en nacht sta ik voor haar klaar. Maar ik wil me niet opdringen, dus als ze hulp nodig heeft, moet ze me vragen. Gelukkig doet ze dat inmiddels ook, want onze band kan niet meer stuk. We zijn eerlijk tegen elkaar. Marjolein vraagt nog wel eens of ik zeker weet dat ik nooit meer ga drinken. Nu kan ik antwoorden: ja, dat weet ik zeker. Ik heb er veel verdriet van dat ik mijn andere twee dochters nauwelijks zie. Maar wat ik nu heb met mijn middelste dochter en haar twee kinderen, wil ik nooit meer kwijt.”