april 2008

Ze trekken weg, of gaan dood (Z-Krant)

wegtrekkenGepubliceerd in Z

Jan slentert over de nieuwe achtergracht. Bij elk huis kijkt hij even naar binnen. Misschien komt er net een bekende naar buiten waar hij een praatje mee kan maken.Jan woont al meer dan vijfentwintig jaar op de Nieuwe Achtergracht. “Ik woon op de derde en mijn moeder Harda woont op de eerste etage. Mijn moeder woont hier al eenenvijftig jaar. Ik woonde ergens anders in de stad, maar toen mijn moeder me belde om te vertellen dat er een etage vrij stond, wilde ik meteen weer terug. Ik ben hier geboren en getogen. Ik ken de straat en de mensen die hier wonen. Ik heb hier ook op school gezeten. Dus ik vond het wel een goed idee van mijn moeder. Mijn vader woont hier ook in de buurt. In een verpleeghuis; hij heeft alzheimer. Ik ga dagelijks bij hem langs. Op de fiets. Ik doe alles op de fiets, of lopend, of met de boot. Die rode boot, die daar ligt, die is van mij. Die heb ik geërfd van een vriend. Die woonde hier ook in de straat, maar in eens was hij overleden. Nog niet eens zo oud hoor. Zo rond mijn leeftijd, een jaar of vijftig.”

Jan loopt naar het parkeervak voor zijn huis waar vier grote ganzen een gesprek lijken te voeren. “Levensgevaarlijk voor die beesten. Zo meteen komt er een auto aan die hier wil parkeren en die de beesten niet ziet. ‘Hup, weg wezen, hup, hup’. Jan loopt op de ganzen af en probeert ze de gracht in te krijgen door schoppende bewegingen te maken. De ganzen laten zich niet wegjagen. “Er wonen hier veertien ganzen op de gracht en een zwaan. Je zou ze eens moeten horen ’s nachts, ze maken een herrie, dat is niet normaal. Alsof ze elkaar afmaken. Maar de volgende dag zijn ze er allemaal gewoon weer en waggelen ze een beetje rond. Of ze gaan midden op de straat staan en dan kijken ze je zo aan met van die verbaasde ogen.”

Ymkje woont een paar huizen verderop. Als Jan op haar raam tikt komt ze met een grote kop koffie verkeerd naar buiten. “He, Jan. Hoe is het? En met je moeder?” Jan: “Met mijn moeder niet zo goed op het moment. Ze heeft veel last van haar longen. Ik ga zo weer de boodschappen voor haar doen. Melk, pizza en vla.” Ymkje woont inmiddels zeven jaar op de nieuwe achtergracht. Ymkje: “Het is een fijne straat om te wonen. Je merkt heel goed dat de straat geschiedenis heeft. Dat er al generaties voor mij in deze woning hebben gewoond. Toen ik net in dit huis kwam vond ik nog oude kranten uit de jaren ’60. De vorige bewoners hadden de planken in de kasten ermee beplakt. Tegen het vocht denk ik. En in de deuren zit nog glas uit die tijd. De originele details in dit huis die kenmerkend zijn voor vroeger wil ik zo houden. Er wonen hier gelukkig ook nog steeds mensen die verhalen hebben over vroegere tijden. Mijn buurvrouw bijvoorbeeld, van drie hoog. Met de mensen van vroeger, de ganzen die hier door de straat waggelen en met de voortuintjes vind ik het een fijne straat.” “Er is wel veel lawaai hier”, voegt Jan er aan toe terwijl hij een Zware van Nelle rolt. “Vooral die auto’s. Ik ben tegen auto’s. Wat mij betreft maken ze de heel Amsterdam autovrij. Deze gracht is een doorgaande route, daar ligt het aan. De auto’s mogen niet door de Korte Prinsengracht en ook niet door de Kerkstraat, dus om van de Roeterstraat naar de Weesperstraat te komen rijden ze hierlangs.”
Ymkje: “Ja, er rijden hier wel veel auto’s door de straat. En het is druk door de studenten die studeren aan de UVA. Want dat is natuurlijk een gigantisch groot blok dat ze daar hebben gebouwd.” Jan: “hoe staat het nou met nummer 91?” Ymkje: “Daar woont mijn vriend. Ze zijn er een nieuwe fundering aan het leggen. Het hele huis was verzakt.” Jan: “Dat gaf ook veel lawaai hoor. Lag ik gewoon letterlijk in mijn bed te trillen. Gelukkig is het nu wat minder.

Jan staart over de gracht en klaagt nog wat door over het vele lawaai. “Ik slaap aan de achterkant, ik kijk vanuit mijn raam zo op de speelplaats van een basisschool. Vroeger ging je naar school om te leren. Maar tegenwoordig lijkt het wel of die kinderen alleen maar spelen. Het begint al om half negen ’s ochtends. Als de ene klas in de les zit, is de andere klas buiten. Laats ook weer een meisje, stond de hele tijd met een bal tegen een muurtje aan trappen. Ik heb mijn raam opengeduwd en gevraagd of ze dat niet bij haar moeder in de tuin kon gaan doen. Toen hield ze wel meteen op. Alles is anders dan vroeger. Vroeger had je hier op de hoek een bakker, een wolwinkel, de melkboer, een snoepwinkeltje. Tante Greet heeft altijd veel verhalen over de straat. Ik kan ook wel goed met haar zoon opschieten.

Jan drukt op de bel op nummer 113. Tante Greet roept door de intercom: ‘Jahaa, wie is daar.’ Jan roept: ‘Tante Greet, ik ben het Jan, mag ik even boven komen?’ ‘Tuurlijk Jan, kom maar boven’. Via een smalle trap kom je op de eerste etage bij het appartementje van Tante Greet. Overal hangen foto’s, schilderijtjes en beeldjes. Behalve Tante Greet wonen ook haar zoon Erwin en haar kleindochter Angel in het kleine huisje. De huiskamer is tevens de slaapkamer van zoon en kleindochter. Er staat ook een televisie. Twee grote fauteuils, een driezitsbank, een eettafel. In het zijkamertje slaapt tante Greet zelf. Terwijl Greet haar lange grijze haren bijeen klemt schenkt Erwin zichzelf en zijn moeder een watertje in. Voor Jan pakt hij een alcoholvrij biertje uit de koelkast. Erwin ploft neer op de bank, Jan gaat naast hem zitten. Tante Greet zit op haar luie stoel. Ze draait wat aan haar gouden ringen. Greet is een bohémien type. Ze duwt de kat keer op keer van de zware, bruine salontafel. Ondertussen vertelt ze over vroegere tijden. “Ik ben hier komen wonen in 1968. Ik kom uit de Jordaan, maar ons huis werd daar afgebroken. De Jordaan vond ik wel leuker, tenminste in die tijd. Nu wonen daar alleen nog maar advocaten en artsen. Hier heb ik het goed naar mijn zin. Komt ook omdat mijn vriendin hier woont. Tante Wil. Die ken ik al dertig jaar. Wij waren ook altijd bevriend met Johanna. Maar die hebben we op een dag dood gevonden. Wil die zou voor haar een stamppotje maken, andijviestamp. Zij waren echte hartsvriendinnen. Maar toen Wil daar aan kwam en op het raam tikte stond Johanna niet op uit haar stoel. Ze bleef daar maar roerloos zitten. Toen heeft Wil mij erbij groepen en ik zag het meteen: die is dood.”

Jan pulkt aan het lipje van zijn blikje bier: “Het is hier wel veranderd hé tante Greet? Al die leuke winkeltjes van vroeger zijn weg” “Ja, dat klopt”, verzucht tante Greet. “De uitdragerij met allemaal sierraden uit de jaren ’40 en ’50. De kolenboer. En de kruidenier. Iedereen kende elkaar en maakte een praatje op straat. Weet je nog Jan, ‘De Rubberbootjes’, zo noemden wij de familie van Meerten. Die kochten bootjes, knapte ze op en verkochten ze weer. Ja, de Rubberbootjes, ik vergeet het nooit meer. Tante Ali was zo’n lief mens. Haar man, Ome Karel is verdronken. Overboord geslagen in een van zijn bootjes. Dat was erg hoor. Tante Ali is toen nooit meer terug gekomen in deze straat. Ze woont in Noord geloof ik.”

Erwin schenkt Jan nog een alcoholvrij biertje in. “Word je tenminste niet zat van.” “Dat is maar beter ook, want ik moet nog boodschappen doen voor mijn moeder.” “Hoe is het met je moeder Jan”, vraagt Tante Greet. “Ze is behoorlijk ziek hoor”, zegt Jan. “Erg toch altijd, ziekte. Mijn man, Bertus, is vorig jaar overleden.” Ze staart wat door het raam naar buiten. De kantengordijntjes hangen er netjes bij. “Mijn man had veel pijn en dan kan je ook zo weinig hebben. Daardoor hadden we altijd bonje met de buren. Echt heftige ruzies op de trap. Hij kon niets velen. Maar toen hij is overleden heb ik alles aan ze uitgelegd en nu gaat het heel goed tussen ons. Het zijn lieve jongens hoor. Ik kom bij hen over de vloer en zij bij mij. Maar zoals vroeger is het niet meer. Vroeger waren de mensen netjes. Iedereen veegde netjes zijn stoepje voor de deur en zorgde dat de gordijntjes voor de ramen er keurig uitzagen. Dat is tegenwoordig niet meer. En de oude bekende trekken weg of gaan dood. Barend en Annie zijn ook verhuisd, naar Purmerend. Ari en zijn vrouw, waren ook zulke nette mensen, die zijn ook verhuisd, naar Almere. En kleine Ari, met Lien, die zijn er ook niet meer. Ken jij dat verhaal nog Erwin, dat jij werd geslagen door kleine Ari en dat jouw vader Bertus die kleine Ari te grazen nam?” “Ja”, antwoord Erwin, “Dat weet ik nog wel vaag. Hoe zat dat ook al weer?”

Tante Greet gaat op het puntje van haar stoel zitten. Ze heeft duidelijk plezier in het ophalen van oude herinneringen. “Nou, kleine Ari, zijn naam zegt het al, was zo’n klein mannetje en die ging met Tante Lien. En Lien was een hele schone vrouw. Goh, nou. Haar huis zag er altijd tip, top uit. En ze was trouwens ook een hele mooie vrouw om te zien. Maar goed. Lien speelde de hoer. Dat vond ze leuk denk ik. Iedereen wist ook hoor. Dan kwam er een mannetje langs en dan werd kleine Ari door Lien de deur uitgezet. Hij wachtte dan op de brug tot Lien klaar was en hij weer thuis kon komen. Echt waar. En een keer tikte Erwin op het raam van tante Lien. Hij was nog te klein om het te begrijpen hoor. Maar kleine Ari werd zo boos dat hij Erwin een pak slaag verkocht. En daar was Bertus het dus niet mee eens. Die heeft Ari flink door elkaar geschud. Zijn hele blouse was gescheurd.”

“Ik ken dit verhaal helemaal niet, was ik denk ik nog te klein”, zegt Jan. Hij staat op en loopt naar het raam. Hij kijkt naar buiten over de gracht. De kat spring op de vensterbank en Jan aait het beest. “Greet, weet jij nog dat hier tegenover het Leger des Heils zat: ‘De Toortsfakkel’. Daar kwam ik vaak, om te poolen en te biljarten. Nu zitten daar appartementen in. En een nieuw poolcentrum, maar daar kom ik nooit. Wat heb ik daar te zoeken? Hiernaast is ook weer een heel pand opgeknapt en het is al weer verkocht. Greet heeft helemaal gelijk. De mensen van vroeger die trekken weg, of ze gaan dood. Op nummer drieëntachtig woonden krakers. Maar die zijn al weer verjaagd. Wonen nu ook nette mensen in, tenminste dat denk ik. En op nummer 103 woonde Ome Henk. Vorige week is hij gecremeerd. Hij is eenennegentig jaar geworden. Kijk, daar loopt tante Wil met haar hondje. Weet je dat Ramses Shaffy hier ook in de buurt woont, in het Sarphatiehuis. Tante Greet onderbreekt het relaas van Jan: “Ik kom nog steeds drie keer in de week in het Sarphatiehuis. Gezellig. Allemaal oude bekende. En ik ga ook nog steeds dansen in de Jordaan. Ja hoor, dat doe ik allemaal nog, al ben ik ver in de zestig. En naar het Waterlooplein, met mijn vriendin. Daar zijn wij vaste klanten. Altijd geweest. We gaan zeker drie keer in de week.”

Jan begint onrustig door de kamer te lopen. “Ik moest maar eens gaan. Ik moet nog naar de Albert Heijn.” Tante Greet staat op uit haar stoel en loopt mee naar de deur. “Weet jij wie er in de woonboten wonen Jan?” “Nee, die mensen ken ik niet”, zegt Jan. “Ik heb nog een oude foto van deze straat en toen lag hier één woonboot in de gracht en stond er één auto. Erwin komt er ook nog even bij staan. “De woonboten worden volgens mij verhuurd aan toeristen.”
“Misschien weet mevrouw de Hond dat wel, hoe dat zit met die woonboten”, zegt Tante Greet. “Laten we daar dan ook nog maar even langslopen”, zegt Jan.

Mevrouw de Hond woont op de hoek van de Nieuwe Achtergracht en de Roeterstraat. Ze had in 1957 samen met haar ex man een ouderwetse radio- en televisiewinkel. Jan belt aan en al snel zwaait mevrouw de Hond de deur open: “Hallo Jan. Alles goed met jou en je moeder?” “Ach, het gaat wel. Weet jij van wie die woonboten hier zijn?” “Ik zou het eigenlijk niet weten Jan. Die mensen ken ik niet. De meeste mensen van vroeger zijn weggetrokken. En die er nog wel wonen kom ik zo nu en dan tegen. Sinds ik hier een voortuintje heb aangelegd staan er wel eens mensen bij te kletsen. En ome Henk ken ik natuurlijk wel.” “Die is net vorige week overleden”, legt Jan uit. “Goh, nee, dat wist ik niet. Zie je nou dat ik niet overal van op de hoogte ben.”
Jan zegt mevrouw de Hond gedag, beloofd snel weer eens langs te komen en loopt vervolgens richting de Albert Heijn. De dagelijkse boodschappen doen.

Top | Terug