In de Nolensstraat in Geuzenveld staan de betonnen geraamtes van wat eens drie woonflats waren. Slopers zijn bezig ook de laatste resten weg te breken. De locatie is afgezet met een hek. Een wit bord met daarop ‘Verboden Toegang voor Onbevoegden, Art. 461 Wetb. van Strafrecht’ moet nieuwsgierigen buiten het sloopterrein houden. De kraan die de flats tegen de grond werkt en de stofwolken die daarbij ontstaan trekken nogal wat bekijks. Voor de hekken zien buurtbewoners hoe de flats langzaam maar zeker instorten.
De heren van Bottelier Slooptechniek B.V. gaan voortvarend te werk. Met de *crusher*, zoals zij de kraan met grote knijptang noemen, vermorzelen zij de geraamtes. Grote stukken puin vallen naar beneden. Joop, de uitvoerder, kijkt tevreden. Slopen is zijn hobby, zegt hij. “Met de wederopbouw hebben wij niets te maken. Wij slopen alleen. Maar dat moet wel zorgvuldig en netjes gebeuren. We zijn nu bezig met het grote werk, maar voor het zover was hebben we alles handmatig moeten uitbreken. We dachten eerst dat de daken van beton zouden zijn, maar het bleek van hout. Daarom hebben we ook dakslopers laten komen. En er zijn uitslopers aan het werk. Die halen alles wat los en vast zit uit de appartementen en gooien het in de container. Prachtig toch!”
Een toeschouwer volgt het vernietigende werk van de crusher. “Mooi wordt het hoor. In 2010 ziet het er heel anders uit. Ik woon hier al 25 jaar en ik hou van de buurt. Lekker groen.”
De man krijgt gezelschap van een man op een fiets. “Sorry hoor, maar ik zou hier nog niet dood gevonden willen worden. Wat hier allemaal woont!”
De eerste man: “Ik vraag me altijd af waar die mensen toch ineens gebleven zijn die daar woonden. Het gaat toch wel om honderd mensen. Waar zijn die? Waar moeten die naartoe?”
De man met de fiets: “Die zullen wel iets anders hebben gekregen van de woningbouw. Ja hoor, dat regelen ze wel. Nou, ik ga maar eens naar huis. Snel terug naar de Jordaan.”
“Als mensen één buitenlander zien, dan denken ze meteen dat er alleen maar buitenlanders wonen”, zegt de achterblijver. “Maar er komt hier zo meteen juist een heel gemêleerd gezelschap. Er komt hoogbouw en laagbouw. Vrije-sectorhuur, sociale woningbouw en koopwoningen. Ze zouden het eerst renoveren, maar dat is er nooit van gekomen. Ze hebben een kostenplaatje gemaakt en kwamen er toen achter dat slopen en opnieuw opbouwen goedkoper is.”
Niet alleen in de Nolensstraat gaan flats tegen de vlakte. In de hele buurt verdwijnt de hoogbouw. Een Indische vrouw die in een naastgelegen flat woont zou blij zijn als ze eindelijk weg kan: “De flats zijn niet meer van deze tijd. Wij moeten er dit jaar nog uit. Ik weet niet precies wanneer. Die flats daar aan de overkant zijn geloof ik eerst aan de beurt. Ik hoor ook wel eens dat we hier tot 2010 kunnen blijven zitten.” Ze krijgt straks bezoek van de woningbouw. “Ze komen mijn loonstrook controleren, mijn bewijs van inschrijving in Amsterdam en mijn woonduur. Als alles goed is, krijg ik een andere woning aangeboden. Fijn. Het begint hier een spookstad te worden. Ik wil zo snel mogelijk weg.”
Bewoners van een andere flat lijken hun huisraad via het raam naar buiten te hebben gegooid. Op de stoep liggen een bankstel, een televisietoestel, een koelkast, de complete inrichting van een werkkamer, vuilniszakken, papieren en kerstspulletjes. Een Antilliaanse jongen komt naar buiten en blijft staan bij de troep: “Niet normaal meer toch? Wij moeten allemaal ons huis uit, voor 1 april. Maar je krijgt wel een ander huis aangeboden. Daarom, ik vind het niet erg. Afgelopen weekend zijn zo’n beetje al mijn buren vertrokken. Vandaar deze troep denk ik.”
Er stopt een wagentje van Pantar Amsterdam. Een man stapt uit. “Wij zijn van het onderhoud op speeltuinen. Wij gaan dit écht niet opruimen. Dat is een klus voor de gemeente. Wat een bende! Toch even kijken of er iets bij zit. Sjonge jonge.” De man kijkt wat rond en trapt tegen de rommel aan. Hij opent een blauw Gamma-koffertje. “Jammer. Zit niks in.” Hij stapt in zijn karretje en gaat er vandoor.
Een bestelbus van Miniopslag Amsterdam komt aangereden. Twee jongens stappen uit. Eentje stelt zich voor als Youssef. Het is afgelopen voor hem: “Morgen moet ik voor één uur mijn sleutels inleveren. Daarna heb ik meteen een afspraak met het daklozenteam van HVO. Ik heb hier een jaar gewoond, ik wist dat het tijdelijk was.” De andere jongen, neef Anouar, aanschouwt de sloopwerkzaamheden. “En voor tijdelijke mensen doen ze niks”, zegt Youssef. “Ik krijg geen andere woning en ik ben dus dakloos, voor het eerst in mijn leven. Ik heb een opslagunit gehuurd, de goedkoopste, daar zet ik tijdelijk mijn spullen in. En nu maar hopen dat ik snel wat anders vind.”
Het wordt steeds drukker in de Nolensstraat. Ook twee Marokkaanse dames met vijf kinderen blijven even staan. “Wij wonen daar in die flat”, zegt een van de dames. “We zijn buren, maar mijn buurvrouw spreekt niet zo goed Nederlands. Zij heeft al een ander huis gevonden, in Slotervaart. Ik nog niet.” Ze wil graag een ééngezinswoning met vier kamers. “Ik heb twee kinderen, ze slapen nu samen op één kamer. De huizen hier zijn zo klein en we hebben geen dubbel glas, geen centrale verwarming en bijna geen ventilatie. Daar maak ik me het meest boos over. Dat je alles schildert en dat het door het vocht na een paar maanden weer lelijk is. Verhuizen is wel lastig voor de kinderen. Nieuwe buren, nieuwe school, nieuwe vriendinnetjes, nieuwe juf. Maar ja, het is ook wel spannend om na tien jaar ergens anders naartoe te gaan.”
Een paar jonge jongens gooien met stenen de weinige ramen in die nog in de flats zitten. Een ouder echtpaar kijkt toe. “Zie die jongens eens bezig”, zegt de dame.
“Natuurlijk”, antwoordt haar echtgenoot. “Er is toch niets mooiers voor die gasten dan hier te spelen?”
“Zal jij vroeger ook wel gedaan hebben”, zegt de vrouw.
“Ik gooide alleen per ongeluk een ruit in met een bal. Nooit zo.”
“Ja, ja. Zie je nou wat voor verschillende kleuren al die muren hebben? Dat valt me meteen op. Rood, geel, paars, lila. Ik zou het niet willen hoor, in mijn huis. Maar ja, daar houden die Turken en Marokkanen van, hè. Ach, het ziet er ook wel gezellig uit. Waar zouden al die mensen gebleven zijn?”
“Ze hebben volgens mij een tijdelijke woning gekregen. Ze komen hier weer wonen als het af is.”
“Dat geloof ik niet hoor”, spreekt de vrouw haar man tegen. “Er komen koopwoningen en die zijn veel duurder. En als er al huurwoningen tussen zitten, gaat die prijs ook omhoog. Dat kunnen die mensen toch nooit betalen?”
“We wachten maar af”, besluit de echtgenoot. “Wij gaan in ieder geval even de boodschapjes doen.”
Binnen de hekken staat sloper Joop te kijken naar een collega die met een spuit in de weer is. “Dat is de stofbestrijder. Hij houdt het puin nat tegen het stof. We zitten goed op schema. Alles bij elkaar zijn we nu zes weken bezig. Als je over twee weken terugkomt, staat hier helemaal niets meer. Dat garandeer ik je.”